Eigenlijk was mendelisme
louter een erfelijkheidstheorie, maar de mendelianen waren ervan overtuigd
dat het een nieuwe experimentele wetenschap was, die erfelijkheid verbond
met anti-darwinistische en pro-mutationistische ideeën. Het zou blijken
dat het mendelisme juist een solide experimentele basis zou zijn voor de
darwinistische evolutietheorie.
Mendeliaanse
genetica had belangrijke effecten op de evolutietheorie. Het verduidelijkte
de relatie tussen afkomst en erfelijkheid. Door de bestudering van de samenstelling
van een zygote kon men het concept 'ancestral heredity' verwerpen. Het
werd duidelijk dat alleen de eigenschappen van de ouders overgeërfd
worden, en niet die van de voorouders. Omdat Darwin het ook over 'lijnen'
had gehad, dachten de mendelianen dat zij een anti-darwinistische theorie
aanhingen. Aan de andere kant verwierpen ze om dezelfde reden ook het idee
van regressie na selectie, en dit was dus juist pro-Darwin. Mendelisme
verduidelijkte ook dat erfelijkheid geen in intensiteit variërende
kracht is. In termen van erfelijkheid was een populatie juist stabiel.
Door de opkomst van de populatiegenetica werd het duidelijk dat als alleen
mendeliaanse overerving van kracht is, de genetische structuur stabiel
is (het zgn Hardy-Weinberg evenwicht). Een nieuwe eigenschap hoeft dus
na verschijnen niet per sé weggevaagd te worden door kansprocessen
of 'blending inheritance'. In de mendeliaanse vorm was selectie een soort
van voorspelling van de snelheid waarmee een eigenschap zich verspreidt
of verdwijnt. Het is ook verbonden met het mutatiedenken aangezien selectie
voor verspreiding van een nieuw allel zorgt en niet die creëert. Deze
aspecten van de nieuwe selectietheorie werden in de eerste decennia van
de 20e eeuw ontwikkeld. De mendelianen aan het begin van de 20e eeuw waren
echter nog te zeer beinvloed door het anti-darwinistische mutationisme
om de nieuwe mogelijkheden van een combinatie tussen mendelisme en darwinisme
te zien. De amerikaanse geneticus Castle zette de eerste stappen door zijn
werk in de jaren 1903-5. Hij liet zien dat de selectie van een dominant
uiterlijk (ook al is het individu heterozygoot voor de eigenschap) tot
een toename leidt van het aantal homozygoot dominante individuen (9).
Tot ver in de jaren tien van de 20e eeuw zouden de mutationisten en mendelianen
echter denken dat hun theorie Darwins theorie juist weerlegd had. De orthodoxe
darwinisten van die tijd lieten het op hun beurt niet na te vragen waar
die 'discontinuiteiten' van de mutationisten toch vandaan kwamen. Het was
toendertijd niet duidelijk dat een mutatie een verandering van een mendeliaanse
factor was. Verder had ook het mutationisme orthogenetische trekjes zodat
het vrij lang duurde voordat biologen aan het idee wenden dat mutationisme,
mendelisme en darwinisme verenigbaar waren. Dit gebeurde onder andere door
het werk van Punnett. Deze had in zijn boek 'Mimicry in Butterflies' uit
1915 geprobeerd uiteen te zetten dat alleen grote mutaties voor verandering
kunnen zorgen, en dat dus selectie geen rol speelde in de ontwikkeling
van nieuwe soorten. Het effect van zijn boek was echter tegenovergesteld,
biologen zagen dat zijn formele aanpak ook toegepast kon worden op 'kleine'
mutaties naast de 'grote'. Zo rond 1920 begon men in te zien dat mutaties
en selectie op twee verschillende niveaus van de evolutie werkzaam zijn:
mutaties zorgen voor variatie, en selectie voor adaptatie door de 'juiste'
variaties te behouden. Genetisch gezien hadden de mutationisten gelijk
dat selectie eigenlijk een vervanging is, en geen vorming. Dit week eigenlijk
niet af van wat Darwin had bedoeld. De maat van de vervanging was het feitelijke
verschil tussen de twee theorieën, dus geleidelijke of sprongsgewijze
evolutie. Het kritiekpunt van de mutationisten dat selectie niet op continue
variatie zou werken stond nog. Van cruciaal belang was een andere kijk
op erfelijkheid. Continue variatie is namelijk het resultaat van meerdere
genen die één eigenschap bepalen, en verschilt dus niet wezenlijk
van discontinue. Ook kreeg men een idee van de zogenaamde genetische context:
een gen kan afhankelijk van andere genen zijn en zo meerdere fenotypes
tot gevolg hebben. Het laatste dat ontbrak was het bewijs dat naast de
theorie ook in het veld graduele, langzame verandering plaats vond. De
populatiegenetica die werd ontwikkeld in de jaren 20 en 30 was die laatste
stap in de ontwikkeling van de neo-darwinistische evolutietheorie, oftewel
de evolutionaire synthese.
3 Samenvatting naar boven | naar inhoud
Wat Darwin in de wetenschappelijke
wereld berucht maakte was niet de gedachte dat er evolutie bestaat, want
dat was inmiddels ook door anderen beweerd. Dat de evolutiegedachte in
de wetenschap algemeen ingang vond, kan hem wel toegeschreven worden. Het
was de oorzaak achter die evolutie (natuurlijke selectie) die stof deed
opwaaien. Toevallige variaties, 'trial and error', een materialistische
kijk op het leven, deze zaken verschilden volledig van een goddelijk plan.
Daarnaast kon men zich weinig voorstellen bij natuurlijke selectie. In
eerste instantie hebben de kritieken op de theorie hun oorsprong in de
religieuze achtergrond van wetenschappers. Tegen het einde van de 19e eeuw
werden de kritieken meer gebaseerd op puur wetenschappelijk denken, hoewel
er hier en daar toch nog een vleugje religie te vinden is. Dit artikel
is een beschouwing van de reacties van wetenschappers op natuurlijke selectie
tussen 1859 en ±1920 en de wijze waarop zij hun standpunt verdedigden.
Zoals
gezegd was het levensbeschouwelijke aspect eerst van groter belang dan
later. 'De natuur zit zo mooi in elkaar' als argument voor het bestaan
van een goddelijk plan is wetenschappelijk gezien niet goed onderbouwd.
Eén criticus met religieuze motieven springt er echter uit door
zijn goed onderbouwde argumenten tegen de selectietheorie: Mivart. De Engelsman
geloofde wel in evolutie, maar zag selectie niet als de oorzaak van het
onstaan van de soorten. Mivart kwam met argumenten tegen geleidelijke evolutie
die zelfs door Darwin waardevol genoemd werden. Mivarts alternatieve verklaring
voor de evolutie (alles is een goddelijk plan, inclusief variatie en evolutie)
was echter minder goed onderbouwd. Volgens Mivart waren veel individuele
verschillen niet erfelijk. Het verband tussen erfelijkheid en variatie
komt in de betogen van zowel Darwins voorstanders als tegenstanders naar
voren. Er was weinig tot niets bekend over de aard van variatie. Men wist
niet of variaties overgeërfd werden en hoe dat dan gebeurde. Dit maakte
het voor wetenschappers moeilijk zich iets voor te stellen bij het selecteren
van gunstige eigenschappen. Darwin had het over uiterst kleine verschillen
tussen individuen die ervoor zorgden dat het ene individu net iets beter
was aangepast aan de omgeving dan de andere. Dat er erfelijkheid bestond
was wel duidelijk, maar hoe dat precies werkte wist ook Darwin niet. Zijn
pangenesetheorie had hij naar eigen zeggen opgesteld bij gebrek aan beter.
De eerste
darwinisten Wallace, Weismann en Huxley bleken vaak toch andere ideeën
over evolutie te hebben. Wallace, Darwins 'medeonotdekker' kan net als
Weismann een ultra-darwinist genoemd worden, omdat hij geen andere kracht
achter de evolutie accepteerde naast natuurlijke selectie. Darwin liet
het lamarckisme een bescheiden rol spelen in de evolutie. Gek genoeg was
volgens Wallace de mens niet meer onderhevig aan natuurlijke selectie,
omdat op dit punt in de evolutie onze geest belangrijker zou zijn dan ons
lichaam. Omdat onze geest meer kan dan alleen het dagelijkse instantane
gebruik ervan, zou er dus een superieure intelligentie (God) zijn die de
ontwikkeling van de mens gestuurd zou hebben. Ook Weismann werd een ultra-darwinist
genoemd. Dit was het resultaat van zijn andere kijk op erfelijkheid. Zijn
kiemplasmatheorie (1892) bleek een vruchtbaar alternatief voor Darwins
pangenesetheorie. Een belangrijk kenmerk was het eenrichtingsverkeer tussen
soma (lichaam) en kiemplasma (voortplantingscellen). Op basis van zijn
theorie kon Weismann alle lamarckistische invloeden op de evolutie verwerpen,
ook die in Darwins pangenesetheorie. Hij had een duidelijker beeld van
erfelijkheid dan Darwin. Ook Weismann zag als enige kracht achter evolutie
de natuurlijke selectie. Zonder de kracht van natuurlijke selectie zou
er anatomische regressie plaatsvinden, oftewel organen en ledematen zouden
verdwijnen. Weismann eindigde zijn carrière met zijn 'germinal selection'
theorie (1896). Weismann nam aan dat het kiemplasma afhankelijk is van
het lichaam voor voedsel, en dat de determinanten van 'sterke varianten'
de competitie om voedsel zouden winnen van de zwakkere geslachtscellen.
'Germinal selection' was een proces van gestuurde variatie, in plaats van
toevallige variatie. Wallace en Weismann bleken met hun dogmatisch gebruik
van natuurlijke selectie niet alles te kunnen verklaren, en lieten dus
uiteindelijk weer ruimte voor metafysische verklaringen. Dit was nu net
hetgeen wat Darwin niet bedoeld had. Waarschijnlijk begrepen ze
deels wel wat Darwin bedoelde met natuurlijke selectie, ze hebben er echter
verkeerd gebruik van gemaakt. Iemand die helemaal niet begrepen had wat
Darwin bedoelde was Huxley. 'Darwin's self-appointed bull dog' verafschuwde
de inmenging van elke vorm van metafysica in de wetenschap. Wat dat betreft
begreep hij Darwin, maar dit aspect leek dan ook het enige te zijn. Van
Huxley kan gezegd worden dat hij (zonder het zelf door te hebben) anti-darwinistische
ideeën had.
Darwins
aanhangers waren er niet in geslaagd de andere wetenschappers van de juistheid
van de selectietheorie te overtuigen. Weismanns kiemplasmatheorie bleek
niet voldoende om een belangrijk punt te verhelderen: de relatie tussen
variatie en erfelijkheid. De kritiek van Jenkin richtte zich daarop. Ondanks
zijn gebrek aan kwalificaties als natuurhistoricus was Jenkin een briljant
wiskundige die de consequenties liet zien van het uitgangspunt van Darwin
redenering. Jenkin verwierp het idee dat soorten oneindig kunnen variëren
in een bepaalde richting en dat natuurlijke selectie het gemiddelde soortstype
kan veranderen. Hij viel de stelling aan dat nadat selectie heeft plaatsgevonden,
variatie nog steeds in alle richtingen mogelijk is. De kans op 'teruggaande'
variatie nam volgens Jenkin na selectie toe. Dit wijst op het onvermogen
van wetenschappers om zich iets voor te stellen bij selectie. Dit is gekoppeld
aan het probleem van hoe eigenschappen overerven. Zonder daar een duidelijk
beeld van te hebben kan men ook geen duidelijk beeld van selectie van eigenschappen
hebben. Jenkin formuleerde dit probleem ook, hij vroeg zich af hoe variatie
wordt overgeërfd, hoe het is verdeeld en hoe het wordt gemeten.
Als Darwin
sprak over kleine individuele verschillen, zag Jenkin iets dat Darwin niet
zag: de normaalverdelingscurve van zo'n eigenschap in de populatie. Een
zwak punt van Darwin was dat hijzelf ook geen duidelijk beeld had van variatie
en erfelijkheid. Volgens Jenkin had Darwin ook geen flauw benul van kansrekening.
Stel dat een nieuwe, zeer voordelige vorm van een eigenschap ontstaat in
één individu, wat zou dan de kans zijn dat het zich verspreidt
en vestigt in de soort? Volgens Jenkin waren er twee obstakels: het feit
dat het percentage individuen met nakomelingen laag is, en de 'blending
inheritance'. Dit laatste wijst er nogmaals op dat de 'verkeerde' kijk
op erfelijkheid (blending) de selectietheorie in de weg stond.
Galton
had in grote lijnen dezelfde ideeën als Jenkin. Ook hij vond dat natuurlijke
selectie niet verenigbaar was met de toenmalige erfelijkheidstheorie. Hij
was het die de ideeën over populaties en erfelijkheid combineerde,
en statistische hulpmiddelen ontwikkelde om de natuur als een 'populatie'
te begrijpen. Als er geen selectie zou zijn, zou volgens hem een 'ras'
terugveranderen naar het type dat het ras karakteriseert (regressie). Galton
ging ervan uit dat er gewoonweg een grens zat aan de kracht van selectie.
Hij was ervan overtuigd dat Darwins natuurlijke selectie die op kleine
individuele verschillen werkte, niet in staat was om het 'gemiddelde type'
van een soort permanent te veranderen. Selectie kon alleen maar effect
hebben op discontinue variaties, net zoals Jenkin ook beweerd had. Galtons
formalisatie van natuurlijke selectie was echter gebaseerd op de impliciete
aanname dat in twee opeenvolgende generaties afwijkingen gemeten werden
van hetzelfde gemiddelde. Dit impliceert a priori dat natuurlijke selectie
de gemiddelde waarde van de eigenschap niet kan veranderen.
Galtons
'law of ancestral heredity' was gebaseerd op het idee dat een organisme
niet alleen van zijn ouders overerft, maar ook van zijn verdere voorouders.
Hoe verder terug in de tijd, des te meer de bijdrage van de voorouder lijkt
op het rasgemiddelde. Deze wet was een verklaring voor de regressie naar
het gemiddelde. Dit illustreert weer dat de selectietheorie werd verworpen
vanwege andere ideeën over de overerving van eigenschappen. Galtons
alternatieve verklaring voor de evolutie ging ervan uit dat evolutie niet
plaatsvindt door accumulatie van zeer kleine verschillen, maar door grote
sprongen die het organisme grondig reorganiseren. Galton illustreerde zijn
idee met een veelvlakkige steen, waarbij elk vlak een stabiel evenwicht
representeert. Geleidelijke verandering kan niet plaats vinden, alleen
radicale omwentelingen. Ook Galton maakte onderscheid tussen continue en
discontinue variatie, waarbij door 'blending' de eerste niet onderhevig
aan selectie zou zijn. Omdat men niet wist dat continue variatie veroorzaakt
wordt door meerdere genen die de eigenschap bepalen, was het moeilijk zich
voor te stellen hoe zo'n continu variërende eigenschap geselecteerd
zou moeten worden.
De biometrici
geloofden wèl dat continue variatie voor evolutie verantwoordelijk
kon zijn, en wilden dit met behulp van Galtons methodes statistisch bewijzen.
Zij waren de eersten en de laatsten die op zoek gingen naar de feiten omtrent
natuurlijke selectie zonder zich af te vragen wat de fysiologische aard
van erfelijkheid was. Om natuurlijke selectie te kunnen demonstreren, moest
Weldon bewijzen dat het sterftecijfer afhankelijk was van de variatie van
een bepaalde eigenschap. Dit zou betekenen dat individuen bestudeerd moesten
worden tijdens verschillende stadia van hun ontwikkeling, maar dit is in
de vrije natuur bijna onmogelijk. Wat wel gedaan kon worden, was het vergelijken
van de levensvatbaarheid van een populatie tijdens verschillende ontwikkelingsstadia.
Weldons artikel uit 1893 staat bekend als het eerste directe empirische
bewijs dat selectie plaatsvindt in de natuur. Maar hij deed geen uitspraken
over de biologische betekenis van deze studie, alleen maar over het wel
of niet plaatsvinden van selectieve eliminatie. Ook vond Weldon het niet
belangrijk wat de fysiologische aard van erfelijkheid was. Het was natuurlijk
goed mogelijk dat een onbekende factor die geassociëerd was met de
onderzochte eigenschap van invloed was op levensvatbaarheid, en later heeft
Weldon nog een poging gedaan die te achterhalen. Dit causale aspect van
het onderzoek was niet Weldons ideale aanpak. Hij vond dat hij selectie
pas had bewezen als die aanpak in grondbeginsel statistisch was. Hij wilde
dat natuurlijke selectie een conclusie zou zijn uit de bestudering van
verdelingscurves, berekeningen van de waarde van selectieve mortaliteit
en de algebraische functies van sterfte-variatie ten opzichte van de eigenschap-variatie.
Selectie zou een feit moeten zijn zonder dat de hulp werd ingeroepen van
causale hypotheses.
Het was
de wiskundige Pearson die de preciese statistische vocabulaire omtrent
selectie karaktariseerde. Zijn intentie was om alle parameters te omschrijven
die gemeten zouden moeten worden om natuurlijke selectie empirisch te kunnen
testen. Hij ontwikkelde de eerste ideeën van 'random drift' (nu bekend
als 'genetic drift'). Hij realiseerde zich namelijk dat bij kleine populaties
stochastische variabelen en kansprocessen een zeer grote rol spelen bij
het eventueel veranderen van het populatiegemiddelde, en dus belangrijk
zijn voor de theorie van selectie. Het nadeel van Pearsons formele aanpak
was dat die te algemeen was, en dus compatibel met meerdere scenario's.
Het kon bijvoorbeeld geen onderscheid maken tussen Galtons en Darwins regressie,
oftewel tussen een onbeweeglijk of beweeglijk regressiepunt. Pearson en
de andere biometrici geloofden dat er een puur statistische erfelijkheidstheorie
zou zijn. Erfelijkheid werd gereduceerd tot een gelijkenis-index tussen
ouders en kind, zonder enige causale significantie. Dus hoewel de biometrici
Darwins selectietheorie verdedigden en ook invloed hebben gehad op belangrijke
vragen met betrekking tot de bestudering van selectie, miste de causale
aanpak teveel in hun werk. Ze maakten zich ook niet te druk over de aard
van variatie en erfelijkheid. Juist omdat deze problemen niet aangepakt
werden hebben de biometrici er niet voor gezorgd dat de selectietheorie
algemeen geaccepteerd werd.
Galton
had niet alleen de biometrici maar ook de mutationisten beinvloed. De eerste
mendelianen waren ook aanhanger van het mutationisme. Tijdens 'the eclipse
of Darwinism' was men op zoek naar een nieuwe evolutietheorie en deze werd
gevonden in neo-lamarckisme, in orthogenese of in de mutatietheorie van
de Vries. Het neo-lamarckisme had een fundamenteel andere kijk op erfelijkheid:
tijdens het leven verworven eigenschappenen zouden overgeërfd worden.
Evolutie kreeg door de invloed van de 'wil' een gericht en gestuurd randje.
Dit was ook zo bij orthogenese, dat helemaal van een vooropgezet plan uitging.
Deze alternatieven hadden tijdens de 'eclipse' wel wat aanhang, maar uiteindelijk
bleek toch het mendelisme beter in staat te werken binnen het opkomende
erfelijkheidsonderzoek. Ook voor de mutationisten kon alleen discontinue
variatie de bron voor evolutie zijn, omdat continue variatie niet erfelijk
zou zijn. De Vries ontwikkelde een idee over de oorsprong van de soorten,
waarbij soorten ontstaan tijdens schaarse periodes van snelle en grote
variatie, oftewel 'mutaties'. Tussen deze periodes in zijn de soorten onveranderlijk.
Johannsens idee van zuivere
lijnen was in de context van de mendeliaanse revolutie die aan het plaatsvinden
was van zeer groot belang voor de selectie- en de erfelijkheidstheorie.
Dit was onder andere omdat Johannsen duidelijk het verschil aangaf tussen
genotype (de genen) en het fenotype (het uiteindelijke uiterlijk). Ook
Johannsen beschouwde selectie als een proces dat achteraf de best aangepaste
vormen conserveerde. Selectie kon kiezen tussen de zuivere lijnen, maar
deze niet langzaam veranderen. De nieuwe vormen werden dus niet door selectie
gecreëerd. Johannsen dacht onterecht dat deze visie fundamenteel afweek
van Darwins visie. Darwin had namelijk ook gezegd dat selectie niet variatie
maakte, maar erop inwerkte. De aard van de variatie was de basis voor het
meningsverschil: Darwin dacht dat de kleine individuele verschillen onderwerp
van selectie waren, terwijl de mutationisten niet geloofden dat deze variatie
erfelijk was. Voor hun lagen mutaties aan de basis van de evolutie. De
Vries zag een mutatie als een complete verandering van een organisme, waarbij
(onder)soorten in één klap konden ontstaan. Mede hierom verwierp
de Vries Darwins theorie van geleidelijke verandering.
Nu eenmaal
duidelijk is dat een mutatie een verandering van een mendeliaanse factor
is, is het minder onwaarschijnlijk geworden dat mutatie-selectionisme en
Darwins selectionisme verenigbaar waren. Zonder het door te hebben waren
alle partijen het er al over eens dat selectie een vervanging is, en geen
vorming. Wat het probleem was, was de vraag wat er dan vervangen werd.
Nu weten we dat een gen vervangen wordt door een andere variant daarvan,
en dat die ontstaan is door mutatie. Nadat de oppositie veranderd was van
religieus in wetenschappelijk, was er eigenlijk één fundamenteel
obstakel: de erfelijkheid. De controverse omtrent Darwins selectiedenken
was voornamelijk gebaseerd op gebrek aan kennis over erfelijkheid. Weten
hoe continue en discontinue variatie overgeërfd wordt is van cruciaal
belang om te kunnen oordelen over Darwins selectietheorie.
4 Referenties
en literatuurlijst naar boven | naar inhoud